
Een prettige geur zegt niets over explosieveiligheid.
Vanille. Citroen. Pepermunt. Sinaasappel. Lavendel.
Het zijn geuren die de meeste mensen associëren met voeding, cosmetica, schoonmaakmiddelen of parfum. Zelden worden ze direct in verband gebracht met explosieveiligheid.
Toch kan juist daar een gevaarlijke aanname ontstaan.
Binnen de voedingsmiddelenindustrie, de farmaceutische industrie, de cosmeticasector en de fijnchemie worden dagelijks geur- en smaakstoffen verwerkt. Veel van deze producten bevatten vluchtige organische stoffen of brandbare oplosmiddelen, zoals ethanol, isopropanol of andere organische verbindingen. De aangename geur zegt echter niets over de fysische eigenschappen van de stof of over het risico dat tijdens opslag, mengen, doseren of reinigen een explosieve atmosfeer kan ontstaan.
Explosieveiligheid beoordeelt een stof daarom niet op hoe deze ruikt, maar op eigenschappen zoals het vlampunt, de dampdruk, de explosiegrenzen, de minimale ontstekingsenergie, de zelfontbrandingstemperatuur en de procesomstandigheden waarin de stof wordt toegepast. Juist die combinatie bepaalt of een explosieve atmosfeer kan ontstaan en welke beschermingsmaatregelen noodzakelijk zijn.
Dat verklaart ook waarom dezelfde stof in verschillende processen tot een andere risicobeoordeling kan leiden. Een kleine hoeveelheid oplosmiddel in een gesloten verpakking vormt een ander risico dan dezelfde stof die wordt verwarmd, verneveld of intensief gemengd. Ook ventilatie, procesdruk, emissiebronnen en de frequentie waarmee dampen kunnen vrijkomen, beïnvloeden de uiteindelijke beoordeling.
Daarom beschrijven de EN IEC 60079-10-1 en EN IEC 60079-10-2 geen lijsten met 'gevaarlijke' of 'onschuldige' stoffen. De normen bieden een systematische methodiek om te beoordelen onder welke omstandigheden een explosieve atmosfeer kan ontstaan. Niet de naam, de geur of de toepassing van een stof staat centraal, maar de combinatie van stofeigenschappen, procescondities en mogelijke emissiebronnen.
Voor ontwerpers, operators, HSE-managers en asset owners is dat een belangrijke les. Vertrouwdheid mag nooit de plaats innemen van een technische beoordeling. Juist stoffen die dagelijks worden gebruikt, verdienen een objectieve beoordeling op basis van actuele procesgegevens, veiligheidsinformatiebladen en de eigenschappen van de stof. Dat vormt de basis voor een juiste gevarenzone-indeling, passende apparatuur en een veilige bedrijfsvoering.
Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie. Een aangename geur zegt niets over explosieveiligheid. Het menselijk reukvermogen is geen veiligheidsinstrument en ook geen risicobeoordeling. Explosieveiligheid begint waar aannames stoppen en technische kennis het overneemt. Niet de geur van een stof bepaalt het risico, maar haar eigenschappen en de omstandigheden waaronder zij wordt gebruikt.
Bronnen
- Richtlijn 1999/92/EG (ATEX 153)
- Richtlijn 2014/34/EU (ATEX 114)
- EN IEC 60079-10-1:2021 – Classificatie van gebieden met explosieve gasatmosferen
- EN IEC 60079-10-2:2026 – Classificatie van gebieden met explosieve stofatmosferen
- EN 1127-1 – Explosiepreventie en -bescherming
- Verordening (EG) nr. 1907/2006 (REACH)
- Verordening (EG) nr. 1272/2008 (CLP)
- Veiligheidsinformatiebladen (SDS)
- European Chemicals Agency (ECHA)