Exquintia

Expertise-overzicht

Zoneringen

Zoneringen worden in de praktijk vaak te snel gezien als een tekening met gekleurde vlakken of gearceerde gebieden. Een goede gevarenzone-indeling is echter ...

Zoneringen worden in de praktijk vaak te snel gezien als een tekening met gekleurde vlakken of gearceerde gebieden. Een goede gevarenzone-indeling is echter geen tekenwerk, maar het resultaat van een technische beoordeling van stoffen, emissiebronnen, procescondities, ventilatie, bedrijfsvoering en ontstekingsrisico’s. De tekening is alleen de weergave van die beoordeling. Wanneer de onderbouwing zwak is, wordt de zonering kwetsbaar bij inspectie, audit, verzekering, bevoegd gezag en vooral bij wijzigingen in de installatie.

Een goede zonering begint daarom altijd met het begrijpen van het proces. Je moet weten welke brandbare stoffen aanwezig zijn, in welke vorm zij voorkomen, onder welke temperatuur en druk zij worden gebruikt, waar zij kunnen vrijkomen en hoe vaak dat realistisch kan gebeuren. Bij gassen en dampen gaat het om eigenschappen zoals LEL, relatieve dampdichtheid, ontstekingstemperatuur, gasgroep, vluchtigheid en bedrijfscondities. Bij stof gaat het om deeltjesgrootte, vochtgehalte, stofwolkgedrag, stoflaagvorming, minimale ontstekingsenergie, maximale oppervlaktetemperatuur, Kst-waarde en de manier waarop het product in de installatie wordt behandeld. Een zone kan nooit beter zijn dan de kwaliteit van de stof- en procesgegevens waarop zij is gebaseerd.

De systematiek moet aansluiten bij de uitgangspunten van IEC 60079-10-1 voor gas, damp en nevel en IEC 60079-10-2 voor brandbare stof. In Nederland wordt dit praktisch ondersteund door NPR 7910-1 en NPR 7910-2. De eerste stap is steeds het vaststellen of er een brandbare stof aanwezig is die onder normale of voorzienbare omstandigheden een explosieve atmosfeer kan vormen. Daarna worden de emissiebronnen bepaald. Dat zijn niet alleen de voor de hand liggende punten zoals flenzen, pompen, monsternamepunten, vulopeningen, ontluchtingen, filters of stortpunten, maar ook minder zichtbare bronnen zoals drains, pakkingen, ademleidingen, reinigingsopeningen, overdrukbeveiligingen, productovergangen, beschadigde flexibele verbindingen of tijdelijke aansluitingen.

Daarna wordt de aard van de emissie beoordeeld. Een continue emissie, een primaire emissie of een secundaire emissie leidt tot een ander risicobeeld. In de praktijk is dit vaak het punt waar de meeste fouten ontstaan. Men noemt een bron al snel secundair omdat men verwacht dat er normaal niets vrijkomt, terwijl de bedrijfsvoering iets anders laat zien. Een monsternamepunt dat meerdere keren per dag wordt geopend, een bigbag-station dat bij elke wissel stof afgeeft of een pompafdichting die structureel licht lekt, is in de praktijk niet hetzelfde als een theoretisch zeldzame storing. Goede zonering vraagt daarom om kijken naar werkelijk gebruik, niet alleen naar ontwerpintentie.

Vervolgens wordt beoordeeld hoe de explosieve atmosfeer zich kan verspreiden. Bij gas en damp spelen ventilatie, dichtheid ten opzichte van lucht, temperatuur, druk, uitstroomsnelheid, ruimtegeometrie en obstakels een grote rol. Een lichte stof zoals waterstof stijgt snel en vraagt een andere benadering dan een zware damp die laag blijft hangen of zich in putten en sleuven kan verzamelen. Buitenopstelling betekent niet automatisch veilig; natuurlijke ventilatie kan gunstig zijn, maar kan door bebouwing, windluwe hoeken, overkappingen of verdiept liggende delen sterk worden beperkt. Binnenruimten vragen altijd een kritisch oordeel over ventilatiehoeveelheid, luchtverdeling, beschikbaarheid en storingsgedrag.

Bij stof is verspreiding anders. Daar gaat het niet alleen om de stofwolk op het moment van emissie, maar ook om stoflagen die later opnieuw kunnen worden opgewerveld. Een installatie kan tijdens normaal bedrijf weinig zichtbare stofwolk vormen, maar door lekkage, onvoldoende reiniging of constructiedelen waarop stof blijft liggen toch een relevant risico opbouwen. In stoffige omgevingen moet je daarom niet alleen naar de bron kijken, maar ook naar horizontale oppervlakken, kabelgoten, motoren, armaturen, leidingen, bordessen, dakspanten en moeilijk bereikbare delen. Een stoflaag is geen cosmetisch probleem; zij kan thermisch isoleren, opnieuw worden opgewerveld en bijdragen aan secundaire explosies.

Het resultaat van de beoordeling is de zone-indeling. Voor gas, damp en nevel gaat het om zone 0, 1 of 2. Voor stof gaat het om zone 20, 21 of 22. De zone geeft niet aan hoe ernstig een explosie zal zijn, maar hoe waarschijnlijk het is dat een explosieve atmosfeer aanwezig is. Dat onderscheid is belangrijk. Een kleine zone kan nog steeds een ernstig risico opleveren wanneer er een effectieve ontstekingsbron aanwezig is of wanneer de explosie zich kan voortplanten naar apparatuur of leidingsystemen. Een goede zonering moet daarom altijd worden gelezen samen met de ontstekingsanalyse, apparatuurselectie, inspecties en organisatorische maatregelen.

Uit ervaring wordt het beste resultaat gehaald wanneer de zonering niet achter een bureau wordt gemaakt, maar in combinatie met veldbezoek, gesprekken met operators, onderhoud en engineering. Operators weten vaak waar stof werkelijk blijft liggen, waar damp ruikbaar is, waar deuren open blijven staan, waar bij het lossen wordt gemorst en welke handelingen afwijken van de procedure. Maintenance weet waar pakkingen zweten, waar wartels corroderen, waar ventilatoren vaak uitvallen en welke apparatuur regelmatig wordt vervangen. Engineering kent het ontwerp, maar de werkvloer kent de werkelijkheid. Goede zonering ontstaat wanneer die drie bronnen bij elkaar worden gebracht.

In de chemische industrie ligt de nadruk bij zonering vaak op gas- en dampemissies. Pompen, flenzen, seals, monsternamepunten, reactoren, ontluchtingen, tankademingen, laad- en losplaatsen, solventsystemen en CIP- of reinigingsmiddelen bepalen het beeld. De fout die je daar vaak ziet, is dat oude zone-indelingen blijven bestaan terwijl medium, temperatuur, druk of bedrijfsvoering zijn veranderd. Een hogere procestemperatuur kan verdamping sterk vergroten. Een ander oplosmiddel kan een lagere LEL of andere gasgroep hebben. Een nieuwe pompafdichting kan de emissiekans veranderen. Een goede zonering in chemie moet daarom sterk gekoppeld zijn aan Management of Change. Iedere stofwijziging, proceswijziging of ventilatiewijziging kan invloed hebben op de zone.

In de food-, feed- en poederindustrie draait zonering vooral om stofgedrag. Daar is de vraag niet alleen waar stof vrijkomt, maar ook waar stof blijft liggen. Stortpunten, mengers, zeefinstallaties, filters, cyclonen, elevatoren, transportschroeven, bigbag-stations, silo’s en afzuigsystemen zijn bepalend. In deze sector zie je vaak dat de buitenzijde van apparatuur wel wordt gezoneerd, maar dat de interne atmosfeer in filters, silo’s, elevatoren en mengers te weinig aandacht krijgt. Juist binnen apparatuur kan een explosieve stofwolk veel vaker aanwezig zijn dan daarbuiten. Een goede zonering moet daarom onderscheid maken tussen interne zones en externe zones. De buitenzijde van een installatie kan zone 22 zijn, terwijl de binnenzijde zone 20 of 21 is. Dat heeft directe gevolgen voor mechanische apparatuur, ontstekingsanalyse, explosiedrukontlasting, explosie-isolatie en onderhoud.

In farmacie en fine chemicals is zonering vaak complex door wisselende producten, oplosmiddelen, poeders, batches en tijdelijke opstellingen. Een ruimte kan vandaag met een hoogvluchtig oplosmiddel werken en morgen met een poeder met lage ontstekingsenergie. Pilot plants, laboratoria en multipurpose installaties vragen daarom om een zoneringssystematiek die niet alleen naar de vaste installatie kijkt, maar ook naar de gebruiksscenario’s. Daar moet je kritisch beoordelen welke stoffen representatief zijn, welke worstcases realistisch zijn en hoe tijdelijke apparatuur wordt vrijgegeven. In deze branche is de grootste valkuil dat de documentatie indrukwekkend is, maar niet snel genoeg meebeweegt met de operatie.

Bij waterzuiveringen, biogasinstallaties en afvalverwerking ligt de nadruk vaak op methaan, H₂S, vocht, corrosie, putten, gemalen, vergisters, gasstraten, compressoren en fakkelinstallaties. Hier is zonering vaak lastig omdat installaties oud zijn, in fasen zijn uitgebreid en tekeningen niet altijd overeenkomen met de werkelijkheid. Een put of technische ruimte kan op papier goed geventileerd zijn, maar door vervuilde roosters, defecte ventilatie of gewijzigde bedrijfsvoering toch een ander risicobeeld geven. Bij biogas moet bovendien rekening worden gehouden met variatie in samenstelling, condensvorming, lekkagepunten en buitenopstelling. Een goede zonering in deze branche herstelt vooral duidelijkheid: waar zijn de zonegrenzen, welke apparatuur staat erin, welke ventilatie wordt verondersteld en wat moet periodiek gecontroleerd worden.

In energie, utilities en acculaadomgevingen verschuift de aandacht naar waterstofvorming, ventilatie en ontstekingsbronnen. Acculaadplaatsen, noodstroomvoorzieningen, batterijruimten en bepaalde energieopslagsystemen worden in de praktijk nog te vaak als gewone technische ruimten behandeld. Bij loodzuuraccu’s kan tijdens laden waterstof vrijkomen. De vraag is dan of de ventilatie voldoende is, waar waterstof zich kan ophopen, welke elektrische apparatuur aanwezig is en of laadgedrag, onderhoud en ruimtegebruik passen bij de uitgangspunten van de beoordeling. Niet elke acculaadruimte hoeft automatisch een ATEX-zone te worden, maar elke acculaadruimte moet wel aantoonbaar veilig zijn onderbouwd.

In opslag, overslag en logistiek wordt zonering sterk bepaald door handelingen. Laden, lossen, verpompen, afvullen, spoelen, ontluchten, monsteren, IBC-gebruik, tankputten en tijdelijke opslag bepalen waar emissies kunnen ontstaan. De praktijk wijkt hier vaak af van de procedure. Slangen worden anders aangesloten, vaten worden geopend waar dat niet was voorzien, aardklemmen worden niet gebruikt of ventilatiecondities veranderen doordat deuren en poorten openstaan. Een goede zonering moet daarom niet alleen uitgaan van de ideale procedure, maar ook van voorzienbaar gebruik. Vooral bij brandbare vloeistoffen en dampen is het verschil tussen binnen en buiten, hoog en laag, natuurlijk en mechanisch geventileerd, en open of omsloten ruimte bepalend.

In de maakindustrie ontstaan gevarenzones vaak lokaal. Spuitcabines, reinigingsbaden, ontvettingsstations, lijmprocessen, printprocessen, houtbewerking, kunststof stof, metaalstof en additieve productie kunnen plaatselijk explosieve atmosferen veroorzaken. Omdat deze bedrijven zichzelf niet altijd als “ATEX-bedrijf” zien, worden zones soms te laat of te beperkt beoordeeld. Een goede zonering begint daar met het herkennen van de lokale emissiebronnen. Waar verdampt oplosmiddel? Waar ontstaat stofwolk? Waar kan stof blijven liggen? Is de lokale afzuiging voldoende en beschikbaar? Welke apparatuur staat in de directe omgeving? Worden tijdelijke werkzaamheden meegenomen? Juist in deze sector is een praktische en begrijpelijke zonering belangrijk, omdat de gebruikers vaak geen ATEX-specialisten zijn.

Een goede zonering levert pas waarde op wanneer zij wordt vertaald naar beheersing. De zone-indeling bepaalt welke apparatuur mag worden toegepast, welke EPL of categorie vereist is, welke beschermingswijze passend is, welke inspectie-eisen gelden en welke organisatorische maatregelen nodig zijn. Een zonekaart alleen is onvoldoende. Er moet een duidelijke onderbouwing zijn met emissiebronnen, stof- of gasgegevens, ventilatiebeoordeling, aannames, begrenzingen, afwijkende situaties en voorwaarden. Als bijvoorbeeld mechanische ventilatie bepalend is voor het beperken van een zone, dan moet ook worden vastgelegd wat er gebeurt bij ventilatiestoring. Als schoonmaak bepalend is voor het voorkomen van stoflagen, dan moet de reinigingsfrequentie en controle daarop onderdeel zijn van het beheerssysteem. Als een zone alleen geldt tijdens laden of lossen, moet de procedure dat duidelijk borgen.

Het beste resultaat wordt behaald door de zonering op te bouwen als een technisch verdedigbare keten. Eerst de stof en procescondities, dan de emissiebronnen, daarna de ventilatie of stofverspreiding, vervolgens de zoneklasse en zoneomvang, en ten slotte de consequenties voor apparatuur, inspectie, onderhoud en werkinstructies. Wanneer één schakel ontbreekt, wordt de zonering zwak. Een mooie tekening zonder onderbouwing is niet verdedigbaar. Een goede onderbouwing zonder begrijpelijke tekening is moeilijk bruikbaar. Een juiste zone zonder koppeling aan apparatuurregister en inspectieprogramma levert onvoldoende beheersing op.

Uit ervaring zijn de beste zoneringen niet de meest conservatieve en ook niet de kleinste, maar de best onderbouwde. Te ruim zoneren lijkt veilig, maar kan leiden tot onnodige kosten, verkeerde prioriteiten en verlies van geloofwaardigheid. Te krap zoneren verlaagt de kosten op papier, maar vergroot het risico en maakt de installatie kwetsbaar bij audit of incident. Een goede zone-indeling is realistisch, technisch onderbouwd en praktisch beheerbaar. Zij laat zien waar explosieve atmosferen kunnen ontstaan, waarom die zoneklasse gekozen is, welke aannames daarbij gelden en wat het bedrijf moet doen om die aannames waar te houden.

Een zonering is daarom geen eindproduct, maar een basis voor ontwerp, onderhoud, inspectie, EVD, opleiding en wijzigingsbeheer. Zodra een stof verandert, een ventilatievoorziening wordt aangepast, een afzuigpunt wordt verplaatst, een productielijn wordt uitgebreid, een reinigingsregime wijzigt of een ruimte anders wordt gebruikt, moet worden beoordeeld of de zone-indeling nog klopt. Daar gaat het in de praktijk vaak mis. De zonekaart blijft aan de muur hangen, maar de fabriek verandert. Een goede systematiek zorgt ervoor dat zonering onderdeel wordt van Management of Change en niet pas wordt herzien wanneer een auditor ernaar vraagt.

De waarde van een goede zonering is uiteindelijk dat zij onzekerheid wegneemt. Management weet waar de belangrijke risico’s liggen. Engineering weet welke apparatuur en installatiemethoden nodig zijn. Maintenance weet waar inspectie en herstel kritisch zijn. HSE heeft een verdedigbare basis voor het EVD. Productie begrijpt welke handelingen invloed hebben op explosieve atmosferen. Wanneer zonering zo wordt uitgevoerd, ontstaat geen papieren tekening maar een praktisch beheersinstrument. Dat is het resultaat dat bedrijven nodig hebben: een zone-indeling die klopt met de werkelijkheid, technisch verdedigbaar is en bruikbaar blijft in de dagelijkse bedrijfsvoering.