
KABELARMERING EN KABELAFSCHERMING: EEN KLEIN VERSCHIL MET GROTE GEVOLGEN
Tijdens ATEX-inspecties ontstaat regelmatig discussie over de aansluiting van een gearmeerde kabel. Moet de armering uitsluitend aan de “schone zijde” worden geaard, of moet deze via de kabelwartel aan beide zijden met aarde worden verbonden?
Het antwoord begint met een belangrijk onderscheid: kabelarmering is niet hetzelfde als kabelafscherming.
De metalen armering biedt hoofdzakelijk mechanische bescherming. Volgens EN IEC 60079-14 moet deze normaal gesproken via geschikte kabelwartels of een gelijkwaardige verbinding aan beide uiteinden met het equipotential bonding system — het potentiaalvereffeningssysteem — worden verbonden. Bij tussenliggende aansluitkasten wordt deze verbinding in beginsel voortgezet.
Een geschikte armeringswartel klemt de armering rondom vast en zorgt daarmee voor elektrische continuïteit. De aanwezigheid van een metalen wartel alleen is echter geen bewijs van een betrouwbare vereffeningsverbinding. Verf, corrosie, kunststof wartelplaten, afdichtringen of een slecht gemonteerde klemconstructie kunnen de verbinding onderbreken.
Bij een kunststof behuizing kan daarom een afzonderlijke earth tag met vereffeningsleiding noodzakelijk zijn. Ook moet de behuizing zelf aantoonbaar met het potentiaalvereffeningssysteem zijn verbonden. De kabelarmering mag niet zonder technische beoordeling als vervanging van de beschermingsleiding worden beschouwd.
Voor een geleidende kabelafscherming, ook wel screen of shield genoemd, kan een andere aanpak gelden. Vooral bij intrinsiek veilige meet- en regelsystemen wordt de afscherming normaal op één punt geaard, meestal aan de niet-gevaarlijke zijde. Deze zijde wordt in de praktijk vaak de “clean earth”-zijde genoemd. Een eenzijdige aansluiting voorkomt dat vereffenings- of circulatiestromen door de afscherming gaan lopen en de intrinsieke veiligheid of signaalkwaliteit beïnvloeden.
Daar ontstaat de verwarring: de regel voor een Ex-i-afscherming wordt soms ten onrechte toegepast op de mechanische kabelarmering.
Een eenzijdige verbinding van de armering kan technisch worden ontworpen, maar is geen standaardoplossing. Er moet dan worden aangetoond dat geen gevaarlijk potentiaalverschil tussen de armering en de installatie kan ontstaan. Bovendien moet ten minste één betrouwbare verbinding met het potentiaalvereffeningssysteem aanwezig blijven. Een voorziening waarmee de armering van aarde wordt geïsoleerd, wordt aan de niet-gevaarlijke zijde of in een locatie met EPL Gc of Dc geplaatst.
De praktische inspectievraag is daarom niet alleen: “Is de armering geaard?”
De juiste vraag luidt:
“Is de armering volgens het installatie ontwerp elektrisch continu en betrouwbaar verbonden met het equipotential bonding system, zonder dat een gevaarlijk potentiaalverschil of een ontstekingsbekwame vonk kan ontstaan?”
De kern is eenvoudig:
Kabelarmering wordt normaal aan beide uiteinden vereffend.
Een Ex-i-kabelafscherming wordt normaal op één punt geaard.
Wie deze twee functies verwisselt, kan een installatie realiseren die er correct uitziet, maar elektrisch en explosieveilig niet correct is uitgevoerd.
Normatieve basis: EN IEC 60079-14:2024, waaronder de bepalingen voor earthing of conducting screens en cable armour bonding.
#ATEX #IECEx #Explosieveiligheid #ExInspectie #IEC60079 #CableGlands #EquipotentialBonding #IntrinsicSafety #ElectricalSafety #Procesveiligheid