
foodindustrie en explosierisico’s
In de foodindustrie worden explosierisico’s nog te vaak uitsluitend gekoppeld aan zichtbare stofwolken. Dat is gevaarlijk. Juist installaties die “schoon ogen” blijken tijdens audits regelmatig onvoldoende beheerst te zijn vanuit ventilatieperspectief. De praktijk laat zien dat de discussie vaak stopt bij de zoneringstekening, terwijl de echte vraag moet zijn: blijft de concentratie brandbaar stof daadwerkelijk onder controle tijdens normaal bedrijf én storingen?
Bij processen met meel, zetmeel, suiker, melkpoeder, cacao of kruiden ontstaat stofemissie niet alleen tijdens primaire processtappen, maar vooral bij secundaire handelingen zoals bigbag-lediging, overslagpunten, zeef dekken, transportbanden en pneumatisch transport. In theorie zijn deze emissies bekend. In de praktijk veranderen producteigenschappen, vochtgehalte, filterslijtage en onderdruk condities continu.
Volgens ATEX 153 en NPR 7910-2 mag ventilatie alleen als risicoreducerende maatregel worden meegenomen wanneer deze aantoonbaar effectief, bewaakt en voldoende betrouwbaar is. Daar gaat het in de foodindustrie regelmatig mis. Een afzuigpunt dat ooit correct ontworpen werd, levert jaren later vaak nog maar een fractie van het oorspronkelijke debiet door vervuiling, foutieve klep standen of filterweerstand.
Neem bijvoorbeeld een bigbag-losstation voor zetmeel binnen een food productieomgeving. Tijdens lediging ontstaat regelmatig een stofemissie rondom de uitstroom en aansluitpunten. Wanneer metingen of ervaring aantonen dat ongeveer 0,8 gram stof per seconde vrijkomt, moet de ventilatie zodanig worden ontworpen dat de stofconcentratie ruim beneden een gevaarlijke explosieve atmosfeer blijft.
Stel dat men een conservatieve ontwerp concentratie van maximaal 25% van de minimale explosieve concentratie wil aanhouden. Voor organisch voedingsstof wordt vaak een MEC van circa 60 g/m³ gehanteerd. De ontwerp doelwaarde wordt dan: Omgezet naar praktijkdebiet: 3 m³/h Op papier lijkt dit beperkt. In werkelijkheid moet echter rekening gehouden worden met lekkages, pulserende emissies, productvariaties, stofafzetting en afnemende filterprestaties. Daarom wordt in de praktijk vaak een aanzienlijke veiligheidsfactor toegepast en komt een effectief ontwerp debiet eerder uit op 400–800 m³/h lokale bronafzuiging, afhankelijk van constructie en procesgedrag.
Daarmee wordt direct zichtbaar waarom veel bestaande installaties in de foodindustrie onvoldoende onderbouwd zijn. Men beschikt vaak wel over een zoneringstekening, maar niet over een aantoonbare ventilatieberekening of validatie van de effectieve afzuigcapaciteit. Vanuit audit perspectief is dat steeds moeilijker verdedigbaar.
Een tweede onderschat risico is stoflaagvorming. Zelfs wanneer ventilatie voldoende lijkt om zichtbare stofwolken te beperken, kunnen secundaire stofafzettingen ontstaan op kabelgoten, liggers en machineframes. Juist in food omgevingen met organische stoffen kan een dunne stoflaag bij verstoring opnieuw een explosieve atmosfeer vormen. Ventilatie moet daarom altijd onderdeel zijn van een integraal beheerssysteem samen met housekeeping, inspectie en onderhoud.
De verschuiving binnen explosieveiligheid gaat daarom steeds meer richting aantoonbare performance in plaats van uitsluitend documentatie. Niet de aanwezigheid van een afzuiginstallatie is doorslaggevend, maar de vraag of deze installatie onder alle bedrijfscondities nog steeds de explosieve atmosfeer daadwerkelijk beheerst. Dat onderscheid wordt in 2026 steeds relevanter tijdens audits, verzekeringsinspecties en SEVESO+/ATEX-beoordelingen.
https://exquintia.com/
#ATEX #FoodIndustry #DustExplosion #ProcessSafety #IEC60079 #NPR7910 #Explosieveiligheid #IECEx #DustHazard #ATEX153